"Zelfklimmers" zijn klimplanten die door hun groeivorm in staat zijn om zonder hulp muren te beklimmen. Hun vitaliteit is van onschatbare waarde, zelfs bij hitte en droogte kunnen ze meestal goed functioneren. Vaak hebben ze echter ook een "klimhulp" nodig, vooral om het opgebouwde stamskelet te verstevigen.
"Zelfklimmers" klimmen vanzelf met hechtwortels of hechtschijven, het hechtvermogen kan afhankelijk van de soort en het oppervlak verschillen. Gezien alle volgende foto's mag het duidelijk zijn dat zelfklimmers alleen op absoluut intacte gevels mogen worden aangebracht, omdat ze anders het pleisterwerk afbreken en bouwschade veroorzaken!
Zelfklimmers ontwikkelen in eerste instantie een onregelmatige groei. Hoewel elke soort zijn eigen, enigszins voorspelbare groeipatroon heeft, is er op dit gebied niets echt voorspelbaar. Voor natuurliefhebbers is dat inspirerend, maar voor architecten vaak verontrustend. Vooral omdat de begroeiing van de muur dan bijna onvermijdelijk uitmondt in een volledige begroeiing, dus in een "groene vacht" die alles bedekt: ramen, ventilatieopeningen, regenpijpen enz. Afhankelijk van de plantensoort, de grootte van de muur en de beplantingsdichtheid wordt deze toestand na 5 tot 20 jaar bereikt.
Door middel van snoeien en groeibeperking kan echter ingegrepen worden in het ontwerp en kan worden gewerkt aan een gedeeltelijke begroeiing, zie hieronder.
Bij het gebruik van zelfklimmers speelt ook het uiterlijk in de winter een rol. De winter duurt hier 5 tot 6 maanden, dus bijna de helft van het jaar! Bij al deze klimplanten, behalve klimop, worden na de bladval namelijk takken, twijgen en hechtorganen zichtbaar, en dat is niet bepaald een verrijking voor de gevel.
Heeft iemand beweerd dat 'modern bouwen' en 'zelfklimmers' elkaar uitsluiten? Zo ja, dan is hier het eerste tegenbewijs: een nieuwbouw van architect Jörg Weber met een eersteklas groene gevel, dankzij klimop en wilde wijn. Het meer verdiepingen tellende 'familiehotel' met café 'Gretchens', bijna volledig gebouwd van hout en daarvoor bekroond, staat sinds 2012 in het centrum van Weimar, vlakbij het 'Goethehaus' en grenst aan de slechts 3 meter brede Seifengasse.
Het heeft enkele jaren geduurd voordat de gevel begroeid was. Aanvankelijk waren alleen lichte pleisterwerk en de ver uitstekende raamkozijnen van cortenstaal te zien. De in de ramen geïntegreerde bloembakken zorgden voor accenten, totdat de zelfklimmers vanaf de grond de gevel veroverden.
Op ingenieuze wijze werden verschillende soorten met elkaar gecombineerd, namelijk klimop (Hedera helix) en wilde wijn of een donkere, grootbladige soort van de sierwijn "Veitchii" (Parthenocissus tricuspidata), die bovendien veel slierten met zeer kleine blaadjes vormt. Daardoor is een afwisselende bladwand gegarandeerd. De klimop blijft de hele winter groen, de wilde wijn kleurt zijn bladeren in de herfst rood en zorgt voor een extra kleurenspel dat meerdere weken duurt.
Het ziet er op deze foto toch een beetje vreemd uit, nietwaar? In ieder geval niet zoals het zou moeten zijn. Was het een verkeerde planning? Misschien. Maar het kan ook zijn dat de begroeiing zich heel anders heeft ontwikkeld dan verwacht.
Maar wat is er precies te zien? Een grote plantenbak, gemonteerd op een muur, met daarboven verticale, parallelle spanbanden. Uit een hoek van de plantenbak groeit een 'zelfklimmer' die zijn eigen weg gaat op de muur. Waarschijnlijk is het een sierwijnstok 'Engelmannii' (Parthenocissus quinqefolia 'Engelmannii'). Maar de plant en de spanbanden hebben niets met elkaar te maken, de banden zijn nutteloos als klimhulp en te dicht geplaatst om als valbeveiliging te dienen.
Wat kenmerkt zelfklimmers? Ze worden gebruikt als goedkope en onderhoudsvriendelijke begroeiing, vaak ook als bescherming tegen graffiti of voor masten. Welke soorten zijn er?
De bekendste zelfklimmer is klimop, die zelfs wintergroen is. De oudere vorm 'Arborescens', die zich meestal onvermijdelijk aan gevels vormt, kan echter ver uitsteken, waardoor klimop bijzonder gevoelig is voor stormschade. Ook 'schietgaten', d.w.z. een zeer beperkt zicht vanuit de ramen, moeten bij deze plant worden ingecalculeerd.
Daarna komt de sierwijnstok 'Veitchii', samen met enkele zeer vergelijkbare soorten. Dit is de meest gebruikte gevelplant in Duitsland en hecht in de beginfase het beste.
Daarna volgt de sierwijnstok 'Engelmannii', die in de beginfase ook zeer goed hecht en nauwelijks gevoelig is voor stormschade. Waarom? Omdat deze soort hechtschijven EN hechtwortels vormt (zie foto hierboven), waarbij de laatste ook uit het oude dikke hout komen, waardoor hij zich bijzonder goed aan de muur kan vasthechten. Bijzonder opvallend en een echte "beest" in deze richting is de momenteel niet in de handel verkrijgbare soort "Saint Paulii" (Parthenocissus quinqefolia 'Saint Paulii'), zie ook Harri Günther "Gehölze in den Gärten von Sanssouci" uit 1984. Het is waarschijnlijk de meest veilig hechtende zelfklimmer!
Na de 'Engelmannii' komt de maagdenrank, die zonder valbeveiliging slechts matig goed hecht, maar snel en zeer hoog groeit. Al deze planten zijn – bij goede grond – vitaal, groeikrachtig en hebben geen automatische besproeiing nodig. En alle planten, behalve klimop, hebben een decoratieve, rode herfstkleur.
De klimhortensia, die veel water nodig heeft, is ook nog van enig belang. Naarmate hij ouder wordt, krijgt hij echter een soortgelijke uitgestrekte groei als klimop en is hij daardoor gevoelig voor stormschade, waardoor hij een klimsteun (valbeveiliging) nodig heeft. Hetzelfde geldt voor de klimtoorn. De eerder zwak groeiende klimspindel is vooral interessant voor sokkelgebieden, en de eenjarige klokjesbloem wordt meer voor de volledigheid vermeld. Voor warme streken zoals Zuid-Duitsland zou nog de sterjasmijn genoemd kunnen worden.
Na een aanvankelijk ongecontroleerde groei is de eerste maatregel in de richting van een "gevelontwerp" vaak het vrijsnijden van ramen, wat vervolgens regelmatig, afhankelijk van de plantensoort, 2 tot 3 keer per jaar gebeurt, vaak door de bewoners of gebruikers zelf, dus van binnenuit door de ramen.
Vaak wordt ook de hoogte van de begroeiing beperkt, meestal door 1 keer per jaar te snoeien. Bij openbare gebouwen wordt dit soms gedaan door de plaatselijke brandweer, die daarbij meteen kan 'oefenen' voor andere hoogtewerkzaamheden, wat de kosten van een dergelijke inzet relativeert. Uiterlijk wanneer de begroeiing het dak bereikt, is jaarlijks snoeiwerk noodzakelijk, anders dreigt er bouwschade.
Zelfklimmers hebben tijdens de groeifase meestal geen 'klimsteunen' nodig, maar een hulpje om ze vast te drukken of in te vlechten kan wel handig zijn. Als eerste hulp bij het starten zijn bevestigingspunten van harde bijenwasplamuur (bijv. van het merk 'Stockmar') geschikt. Hechtschijven worden waarschijnlijk slechts één keer gevormd tijdens de groei van een jonge scheut en breken vaak af bij latere diktegroei, zodat dergelijke, dus zonder hechtwortels klimmende planten dan alleen nog maar door de heel jonge scheuten met de muur verbonden zijn.
Storm en vocht (gewicht) kunnen leiden tot het loskomen van de wandbegroeiing, zelfs bij planten die met hechtwortels klimmen. Ook hier kunnen touwen preventief werken, indien nodig kunnen ze ook achteraf worden aangebracht. Het is echter niet mogelijk om eenmaal afgevallen plantmatten weer in hun oorspronkelijke grootte aan de muur te bevestigen, alleen al vanwege het hoge gewicht. In dergelijke gevallen moet er sterk worden teruggesnoeid. Elk plantenportret waarop u hierboven kunt klikken, bevat een overzicht waarin de min of meer geschikte touwsystemen met kleuren zijn gemarkeerd.
Voor de startfase, als hulp bij het aandrukken, zijn touwsystemen met middelgrote tot grote "mazen", d.w.z. ca. 1 m x 1 m, geschikt. Als valbeveiliging volstaan daarentegen enkele dwars- of verticale touwen, die vaak ook pas achteraf worden aangebracht. Optimaal zijn touwsystemen uit de 8000- en 9000-serie, die beide functies vervullen. Vaak volstaat een "eenvoudige" constructie, bij grote velden is een "gemiddelde" of zelfs "zware" constructie beter.
Slechts "voorwaardelijk geschikt" zijn touwsystemen die vrij "dichtmazig" en dus prijzig zijn. Ze dienen echter soms als hulp bij het vlechten, bijvoorbeeld bij carports of wanneer zelfklimmers niet aan de muur willen hechten. Ook niet optimaal zijn systemen met een te geringe of te grote hoogte, die dan niet in harmonie zijn met de groeihoogte van de klimplant.
"Niet geschikt" zijn vaak opstellingen met slechts korte touwlengtes. Deze zijn dan niet geschikt voor de groeiwijze, behalve misschien bij kuipplanten. Ook te dicht op elkaar geplaatste, "dichtmazige" touwsystemen zijn niet nodig, omdat ze te duur zijn.