
De zevende van de acht varianten om staalkabels op speciale gevels te bevestigen, heeft uitsluitend betrekking op sandwichgevels, en dan vooral op gevels waarbij de binnenste dekplaat niet tegelijkertijd als zichtbare binnenwand fungeert. Voor de bevestiging worden alle lagen van de plaat doorboord en worden de houders met lijmankers vastgezet. Hiervoor komen verschillende combinaties uit het assortiment van FassadenGrün in aanmerking.
Variant 07 is vaak de enige oplossing wanneer kabelsystemen op sandwichgevels worden bevestigd. De platen kunnen al dan niet gepleisterd zijn. Bij platen waarvan de binnenkant tegelijkertijd de zichtbare kant is, gelden beperkingen, zie hieronder.
Alle volgende aanbevelingen worden naar beste weten en geweten gegeven, maar juist bij deze variant is een zorgvuldige controle en goedkeuring door de gebruiker noodzakelijk. De betreffende gebruiker, ontwerper of opdrachtgever draagt dus de verantwoordelijkheid voor bevestigingen van het volgende type.
In tegenstelling tot variant 06 wordt er geen drukbestendige steun tussen de twee dekplaten of panelen aangebracht. De houders worden niet vastgeschroefd, maar alleen in de twee deklagen bevestigd en zo tegen uittrekken (trekkrachten) beveiligd. Dit gebeurt door ze in een zeefhuls te lijmen en een montagedop achter de binnenste dekplaat aan te brengen. De plaatkern, d.w.z. de isolatielaag en de twee dekplaten, moeten dan in combinatie voldoende buigstijf zijn om de eveneens ontstane buigkrachten van de houders zonder vervorming op te vangen. In geval van twijfel moet dit door middel van proeven worden bevestigd.
Als de sandwichplaat samen met de buitenpleister niet dikker is dan 70 mm, worden korte zeefhulzen SD 16085 gebruikt, bij diktes van meer dan 70 mm worden extra lange zeefhulzen SD 16130 gebruikt.
Waar de binnenste afdekplaat tegelijkertijd als zichtbare binnenwand dient (industrieel bouw), blijft de montagestop zichtbaar.
De sandwichgevel wordt doorboord met een diameter van 16 mm, de zeefhulzen worden zonder afstelkap geplaatst en rijkelijk gevuld met composietmortel, zodat er door het uitstromende composietmortel achter de binnenste afdekplaat een stevige plug ontstaat. Vervolgens worden de witte kunststofpluggen in de afstelkappen van de zeefhulzen gestoken en worden beide samen in de composietmortel in de zeefhuls gedrukt. Nadat de massa is uitgehard, worden de kruishouders (zie hieronder) in de kunststofplug gedraaid. Als er mortel in de plug is terechtgekomen, wordt de plug iets uitgeboord.
Deze oplossing met WM 06093 is statisch gezien relatief veilig en verdient in geval van twijfel de voorkeur. De standaardbouwpakketten met bijgeleverde kunststofpluggen kunnen worden gebruikt, maar daarnaast zijn zeefhulzen (zie hierboven) en composietmortel VM 00300 nodig.
Hier kunnen de "Premium"-bouwpakketten met WM 08133 en bijgevoegde kunststofpluggen worden gebruikt, daarnaast zijn weer zeefhulzen (zie hierboven) en composietmortel VM 00300 nodig. Deze oplossing is vanwege de hogere buigkrachten statisch veeleisender. In geval van twijfel worden de 3 mm-touwen in de kruishouders minder strak gespannen, zodat ze bij hoge belasting kunnen "wegglijden", of worden de houders met dun 1,8 mm-touw gespannen. De "Classic"-constructie wordt vanwege de verhoogde krachten bij het indraaien van de houders niet aanbevolen, omdat hier de gelijmde zeefhulzen kunnen "doordraaien".