Het werd in het eerste millennium na Christus door de Romeinen geïntroduceerd, maar er waren steeds weer problemen met het rijpen van de druiven. Maar er moest wijn komen, vooral als miswijn voor de cultus, maar ook als troost voor ontberingen en plagen en - gedistilleerd - als ontsmettingsmiddel en verdovingsmiddel voor de geneeskunde. Wat er echter in de vaten terechtkwam, leek vaak meer op zure azijn dan op smakelijke wijn. De uit het zuiden afkomstige wijnstokken hadden namelijk te weinig warmte en de monniken deden hun best om bijzonder vroegrijpe soorten te kweken.
Als de wijnstokken echter tegen een beschermende kloostermuur, wijngaardmuur of huismuur werden geplaatst, kregen ze warmte, rijpten ze beter en werden ze zoeter en steeds zoeter! Het spreekt voor zich dat uit dergelijke vruchten (of uit wat kinderen en zoetekauwen achterlieten) alcoholrijke wijn kon worden geperst. Het begroenen van gebouwen werd dus vanuit heel praktische overwegingen gedaan...
Wijnstokken zijn daarom altijd geschikt wanneer gebouwen uit de middeleeuwen worden begroeid, want overal waar dergelijke gebouwen staan, werd ook wijnbouw bedreven. De voorkeur gaat echter uit naar moderne, schimmelbestendige druivensoorten.
Is deze klimop altijd al op de middeleeuwse donjon geweest? Toeristen vragen zich dat niet af, maar vinden hem gewoon 'mooi'. Klimop past in ieder geval altijd als er grote groene oppervlakken op zeer oud metselwerk gewenst zijn.
Ook kamperfoelie en vooral rozen zijn voor deze periode aantoonbaar, maar niet de huidige, gekweekte soorten, maar wilde rozen zoals Rosa canina, de 1000 jaar oude roos bij de dom van Hildesheim. Ook leifruit en hop zijn interessante opties. Andere planten kunnen er heel passend uitzien, maar moeten dan worden beschouwd als een toevoeging uit een latere periode dan de middeleeuwen. Ook voorbeplantingen komen in aanmerking.