Met het begin van de 'moderne tijd' rond 1500 bloeide de tuinkunst op en ontsnapte aan de kloostermuren. In de nieuwe, strak aangelegde tuinen van de adel werden vrijstaande prieeltjes en pergola's, maar ook muren begroeid met groen, en in de moestuinen speelden leiboomfruitbomen een grote rol. Aanvankelijk werd er op houten leibomen geteeld, waardoor bijzonder kunstzinnige 'treillages' ontstonden.
Na de stap van de kloostertuinen naar de adellijke tuinen heeft de begroeiing van muren zich verder verspreid, ook naar de riddergoederen en grote boerderijen tot aan de eenvoudigste daglonershuizen. Zo had in veel regio's van Duitsland elke boerderij zijn eigen latwerk, meestal beplant met wijnstokken. In Frankrijk begon latwerkfruit een grote rol te spelen. Het werd geteeld in strikte geometrische, vrij lage vormen. Al snel werden ook nieuwe klimplanten geïntroduceerd en toegepast, zoals wilde muurwijn (1629) en wilde rankwijn, de klimplant trompet (1640) en wilde wijnstokken (1656). In Engeland speelden clematissoorten al rond 1650 een rol.
In die tijd werd het begroenen van gebouwen vooral gedaan met houten latwerk. Afhankelijk van de regio ontstonden verschillende constructies, maar de klassieke latwerkconstructies naar het voorbeeld van een tuinhek domineerden: horizontale balken met verticale latten. Vooral in de barokperiode ontstonden ook bij het latwerk kunstzinnige bloemen, de zogenaamde "treillages".
Lang voordat de tegenwoordig gebruikelijke systemen met staalkabels voor het begroenen van gebouwen werden gebruikt, werd in de barokperiode fruit ook al aan draden getrokken – deze waren duurzamer dan textiele koorden. Zo ontstond de benaming "Schnurbaum" (koordboom) voor wandfruit. De koperen klimdraad werd destijds nog vervaardigd in door waterkracht aangedreven draadsmederijen. Het fruit groeide soms aan speciaal beglaasde talutmuren, zoals in Potsdam-Sancoussi 1745 - 1747 onder Frederik de Grote.