Hier gaat het om de voor- en nadelen van de klassieke, „grondgebonden“ gevelbegroeiing, waarbij planten rechtstreeks in de grond groeien. Tot dit concept behoren de plantkuil, de gietbak en de stambeveiliging. Ook sommige vormen van dakbegroeiing, bijvoorbeeld op ondergrondse parkeergarages, vallen onder deze categorie!
Dergelijke beplantingen zijn meestal zeer vitaal; de planten kunnen bijzonder hoog groeien en er ontstaan weelderige groene oppervlakken met een hoge begroeiingsdichtheid. Het concept heeft zich al vele decennia, ja zelfs eeuwenlang bewezen; alle daarmee samenhangende problemen zijn bekend en dus ook oplosbaar (zie hieronder).
En: dergelijke beplantingen kunnen heel, heel oud worden, maar dat hangt af van de gebruikte plantensoorten. Sommige worden meer dan 100 jaar oud, andere bezwijken al na 10 tot 20 jaar aan de gevolgen van „veroudering“ (zie hieronder) en sterven dan, meestal door droogtestress.
Bijzonder langlevend zijn die soorten die op latere leeftijd een boomachtige structuur ontwikkelen, dat wil zeggen een vrij dikke stam met vertakkingen en uitlopers. Door snoeien en vormgeven wordt de opbouw van een dergelijke structuur ondersteund.
Hieronder vindt u voorbeelden van hoe weelderig, levendig en hoog gevelbegroeiingen kunnen worden wanneer de planten uit de volle grond of uit een dikke substraatlaag groeien. Bij teelt in een plantenpot zouden alle afgebeelde voorbeelden aanzienlijk kleiner, smaller en minder weelderig zijn:
Gevelbegroeiing op de grond heeft plantkuilen nodig! Of een substraatlaag van minimaal 30 cm dik, als de begroeiing op het dak van een ondergrondse parkeergarage moet groeien.
Indien mogelijk moet een plantkuil over de gehele lengte in contact staan met de natuurlijke of aangevulde grond. Wateroverlast op de bodem van de plantkuil moet absoluut worden vermeden. Het oppervlak van een plantkuil kan „open“ zijn, met mulch bedekt of met grind bestrooid.
Een plantkuil voor gevelplanten moet altijd worden gecombineerd met een ruime gietbak. Dit geldt voor de periode van de eerste verzorging, dus voor de eerste 1 à 2 jaar, maar eigenlijk ook voor alle daaropvolgende jaren. Het grondniveau van de plantkuil moet dus permanent ongeveer 10 cm lager liggen dan de omringende grond of de omringende stenen bestrating.
Als tussenlaag tussen een plantschijf en de omringende, verharde grond worden vaak bestratingsringen of vormstenen van beton gebruikt. Ze omringen de plantplaats, maar beschermen ook de omliggende bestrating tegen losraken en afbrokkeling. De afmetingen van de stenen omranding kunnen worden afgestemd op het geplande beplantingsoppervlak en de toekomstige stamdiameter van de klimplant, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Uiteindelijk is de omringende stenen ring slechts een soort „knelpunt“; voldoende grondvolume verder naar beneden en de watervoorziening zijn belangrijker voor de groei van de beplanting.
Beschermingsroosters voor klimplanten worden vooral in de openbare ruimte geplaatst. Vroeger beschermden ze wijnstokken en fruitbomen tegen het vee dat door de straten liep; meer informatie hierover vindt u onder “Beschermingsroosters”. Tegen welke gevaren de roosters tegenwoordig eigenlijk bescherming moeten bieden, is vaak niet duidelijk.
Vanaf een bepaalde grootte kunnen dergelijke hekken in ieder geval ook direct als klimsteun of klimrek worden gebruikt; aparte wandhekken zijn dan helemaal niet meer nodig. Let op: FassadenGrün verkoopt dergelijke hekken niet.
Beschermroosters voor klimplanten worden vooral in de openbare ruimte geplaatst. Vanaf een bepaalde grootte kunnen dergelijke smeedijzeren roosters of staafconstructies ook direct als klimsteun of klimrooster worden gebruikt, waardoor aparte wandroosters niet nodig zijn. Let op: FassadenGrün verkoopt dergelijke beschermroosters niet.
Ja, daar moet over worden gesproken. Hieronder wordt geprobeerd om alle, maar dan ook echt alle mogelijke problemen in kaart te brengen. Als dat dan niet langer “afschrikwekkend” is, kunt u beginnen met het aanleggen van uw bodembedekte beplanting! De meeste van de hier beschreven problemen ontstaan bovendien door gebrek aan of verwaarlozing van het onderhoud; ze zijn dus eigenlijk te voorkomen en daardoor minder relevant.
Dit is het grootste probleem bij dergelijke beplantingen: het duurt vaak lang voordat het resultaat zichtbaar wordt. Het is niet ongewoon dat het 3 tot 10 jaar duurt voordat het beoogde beplantingsdoel is bereikt, afhankelijk van de gewenste hoogte van de beplanting. In het Duits zegt men dan: „De planten komen niet uit de gist”, het brooddeeg rijst dus niet. Hoe kan het hele proces worden versneld? Ten eerste: hoe meer werk er in de plantkuil is gestoken, hoe beter en sneller het gaat. En ten tweede: door grote, voorgekweekte „solitaire planten“ te gebruiken, kan 1 tot 3 jaar worden bespaard. Ten derde: de watervoorziening is cruciaal. Verder moet de plantschijf worden onderhouden en onkruidvrij worden gehouden (zie hierboven), en soms is ook meststof nodig.
Nadat alle aanloopproblemen zijn overwonnen, zijn de planten na enkele jaren goed ingeworteld, is het klimwerk volledig uitgroeid en is het doel van de begroeiing daarmee bereikt. Door regelmatig te snoeien, meestal één keer per jaar, wordt deze toestand nu gestabiliseerd.
Toch zie je steeds vaker begroeiingen die sterk naar voren groeien in de ruimte voor de muur en zeer omvangrijke ‘bladrollen’ vormen. Voor vogels is dat een zegen, want zij voelen zich bij gevelbegroeiing eigenlijk pas op hun gemak als deze niet alleen vlak, dus tweedimensionaal, maar ook driedimensionaal wordt. Dergelijke bladrollen ontstaan wanneer klimplanten niet vaak genoeg worden gesnoeid. Sommige soorten, zoals de slingerende duizendknoop (Polygonum aubertii) en klimtrompetten (Campsis), hebben hier een sterke neiging toe, andere aanzienlijk minder. Een nadeel van dergelijke bladrollen is het sterk toegenomen gewicht, dat vervolgens ook op de klimsteun wordt overgebracht en bij regen, sneeuw en ijs nog verder toeneemt.
Planten met weelderig blad hebben ook navenant meer water nodig en zijn gevoeliger voor watertekort, bijvoorbeeld in droge periodes! Dit kan leiden tot afsterven en verlies van de begroeiing. Al te weelderig blad is dus geen bijzonder kwaliteitskenmerk, maar simpelweg een teken van verwaarlozing.
Bovendien ontstaat er onder zo’n dichte bladlaag ook veel dood en droog hout, wat niet goed is voor de brandveiligheid bij begroeiing. Ook daarom moet begroeiing worden onderhouden en door snoeien vrij “vlak” worden gehouden. De dikte van de bladlaag moet in het voorjaar, dus bij het uitlopen, ongeveer 20 cm bedragen en mag vervolgens tot aan de snoei in de herfst ongeveer 50 cm bereiken. Deze waarden zijn echter slechts een ruwe richtlijn en kunnen per soort afwijken.
Dit is een specifiek probleem bij „zelfklimmers“ zoals klimop (Hedera helix) en wilde wijn (Parthenocissus tricuspidata) – zie foto – wanneer deze zonder klimsteun tegen gevels worden aangeplant. Het betreft vooral oudere, reeds zeer grote planten, maar ook lage begroeiing op muren, dan vooral bij klimop. Met een valbeveiliging in de vorm van horizontale staalkabels is het probleem eigenlijk verholpen en doet het zich niet voor. Dat betekent echter dat dergelijke zogenaamde goedkope begroeiingen volgens het motto „Plant een wilde wijnstok tegen je huis, en alles komt goed!“ toch niet zo goedkoop zijn als ze duurzaam moeten zijn.
Een groene gevel kan bouwschade veroorzaken als deze slecht is gepland of als er geen onderhoud (snoeien) plaatsvindt. Er zijn echter maar weinig plantensoorten die daadwerkelijk schade veroorzaken. En het gaat vooral om schade boven de grond, minder om funderingen, keldermuren en leidingen in de grond. De bekendste voorbeelden van schade zijn door blauweregen (Wisteria) platgedrukte regenpijpen of door klimop omhooggedrukte dakpannen. Dit is een uitgebreid onderwerp dat gedetailleerd wordt behandeld op de pagina „Bouwschade“.
Bij bodembedekkende beplanting ontbreekt het soms aan bladmassa in het onderste gedeelte. Afhankelijk van de soorten klimplanten treedt dit fenomeen helemaal niet op, of juist heel sterk en daardoor als storend. Dit komt door de ‘genetische programmering’ van sommige planten, die erop gericht is om in het dichte, donkere bos snel de hoogte in te groeien en de struik- of boomkronen te bereiken. Daarboven vindt dan een weelderige blad- en vruchtvorming plaats, maar de onderste delen worden verwaarloosd en zijn vaak volledig bladloos. Ook een noemenswaardige vertakking of nieuwe scheuten kunnen daar beneden nauwelijks worden gestimuleerd, tenzij de klimplant volledig wordt teruggesnoeid.
Door een gebrek aan licht, bijvoorbeeld bij schaduwrijke muren of noordgevels, wordt dit fenomeen nog versterkt. Dit kan worden voorkomen door de juiste soorten te kiezen. In de plantenportretten van FassadenGrün vindt u hierover tips en voorbeeldfoto’s, zoals bijvoorbeeld bij de wintergroene kamperfoelie (Lonicera henryii). Bij de ingang van een hotel of op het terras van een café moeten dan eventueel extra kuipplanten worden geplaatst om deze „kaalheid“ te verbergen.
Helaas zijn er onder de klimplanten maar weinig wintergroene soorten, waardoor bij deze vorm van gevelbegroeiing vaak een periode zonder groen moet worden geaccepteerd. Dat is meestal 3 tot 6 maanden per jaar! Sommige soorten behouden hun blad langer en lopen ook in het voorjaar eerder weer uit; dan is de periode niet zo lang. Ook bij een mild klimaat, zoals in Zuid-Duitsland of aan het Bodenmeer, begint de bladloze periode over het algemeen later, vaak pas in december, en eindigt deze dan ook eerder.
Per geval moet worden overwogen hoe hoog het thema ‘wintergroen’ op de prioriteitenlijst staat, en vervolgens moet worden gekeken of er voor de concrete locatie met zijn microklimaat een geschikte plantensoort te vinden is.
Hierbij moeten verschillende soorten meeldauw (Erysiphaceae) worden genoemd. Vooral wijnstokken en rozen worden aangetast, af en toe ook akebia’s (Akebia quinata), de Japanse kamperfoelie (Lonicera japonica) en spindelstruiken (Euonymus). Er vormt zich een muffe, naar schimmel ruikende witte aanslag op de bovenkant van de bladeren; ook bloemen en vruchten kunnen worden aangetast. Bij gevelbegroeiing is de vatbaarheid helaas veel groter dan bij planten die ergens vrij in de tuin groeien. Vooral hete zuidgevels worden getroffen; de oorzaak is vermoedelijk een verzwakte toestand van de planten, zoals hier beschreven. Een dakoverstek verergert het probleem, omdat de bladeren dan niet meer in contact komen met regen of dauw, wat juist dringend nodig is voor de bladeren; water verstoort en vernietigt namelijk het gevormde schimmelmycelium, zowel mechanisch als osmotisch.
Door te kiezen voor redelijk resistente soorten kan dit worden tegengegaan, met name bij wijnstokken (Vitis) en rozen. Bij uitblijvende regen kan het zinvol zijn om de gevelbegroeiing met water te besproeien om het schimmelmycelium te beschadigen, in ieder geval in een vroeg stadium van de aantasting.
Ook andere bladziekten komen voor, maar die vormen eerder een esthetisch dan een existentieel probleem. Het ziet er echter wel erg uit als een klimroos in de nazomer nauwelijks nog bladeren heeft door aantasting met ‘sterroetdauw’ en ‘rozenroest’!
Waar ‘gezond blad’ bovenaan de agenda staat, kunnen bladziekten grotendeels worden uitgesloten. Er zijn veel klimplanten, zoals bijvoorbeeld de blauweregen (Wisteria), de meeste rode sierwijnstokken (Parthenocissus) en de ‘druifloze wilde wijnstok’, die zeer robuust zijn en altijd vitale, ziektevrije bladeren hebben, zolang de watervoorziening maar op peil is.
Ook kunnen er dierlijke plagen voorkomen, bijvoorbeeld bladluizen op rozen en op sommige soorten kamperfoelie (Lonicera). Ook hier is de oorzaak waarschijnlijk meestal een verzwakte toestand van de plant, veroorzaakt door hete muren in combinatie met een tekort aan water. Dit moet op de juiste manier worden voorkomen door planten te kiezen die geschikt zijn voor de standplaats en door op de juiste manier water te geven.
Ja, ook in het plantenrijk komt „veroudering” voor! Terwijl klimplanten in hun jeugd vaak onstuimig groeien, ontstaat er later een evenwicht dat afhankelijk is van de beschikbare hoeveelheid water. De plant voelt dat de watervoorraden in de grond beperkt zijn of merkt dat er slechts sporadisch water wordt gegeven, en vormt dan alleen nog die hoeveelheid groene massa die ze ook blijvend van water kan voorzien. De nieuwe scheuten worden dan navenant korter; in latere jaren vindt er vaak helemaal geen noemenswaardige scheutgroei meer plaats. Er vormen zich dan alleen nog korte scheuten met een lengte van 0,5 - 1 cm, waaraan de nieuwe bladeren groeien. Deze korte scheuten stapelen zich in de loop van jaren en decennia op elkaar, en elke overgang van het ene jaar naar het andere leidt tot een nieuwe, extra verdikking en vernauwing in de capillairen; de waterdoorlatendheid neemt af en de bevoorrading van de bladeren wordt moeilijker.
Veroudering op zich is bij gevelplanten geen ernstig probleem; een dergelijke begroeiing kan er nog jarenlang vitaal uitzien. Veroudering kan echter tot een snelle dood leiden als er een hete, droge zomer aanbreekt! Als preventieve maatregel wordt een drastische verjongingssnoei aanbevolen; deze kan wonderen verrichten en een nieuwe levenscyclus van tientallen jaren inluiden. Ook kan er dan achteraf nog een valbeveiliging worden geïnstalleerd, zoals bij dit referentieproject te zien is.
Klimplanten hebben een uiteenlopende levensverwachting. Wie op duurzaamheid inzet, zou soorten moeten kiezen die meer dan 50 jaar oud worden. Daaronder vallen eigenlijk alle houtachtige klimplanten, behalve de kamperfoelie (Lonicera), die vaak maar 20 jaar haalt. Juist bij grote begroeiingsprojecten is een lange levensduur echter belangrijk!
Heel vaak sterven klimplanten af als gevolg van veroudering (zie bovenstaande tekst). Als er een droog jaar aanbreekt, slaagt de plant er door de vele hindernissen in de watertoevoer niet meer in om haar bladeren voldoende te bevoorraden, waardoor grote delen of zelfs de hele plant afsterven. Tenzij er eerder een verjongingssnoei heeft plaatsgevonden!
Ook een niet onmiddellijk opgemerkt defect aan een irrigatiesysteem kan snel leiden tot de dood van een gevelbegroeiing. Zeer grote, oude planten zijn op hun beurt sterk afhankelijk van een constante waterhuishouding in de grond, en als hier, vooral in droge jaren, veranderingen optreden, leidt dat al snel tot een existentiële crisis. In dergelijke gevallen zou er dan altijd extra water moeten worden gegeven.
Sommige planten in de openbare ruimte sterven waarschijnlijk ook als gevolg van hondenurine. Eigenlijk is het bij hondenbezitters gebruikelijk dat ze hun viervoeters uit respect niet tegen huismuren, autobanden enz. laten plassen. In individuele gevallen, vooral bij honden die niet aangelijnd zijn, kan het echter voorkomen dat honden op de stengel van een klimplant plassen, en als dit eenmaal is gebeurd, volgen andere honden dit voorbeeld, ruiken aan de „markering“ en laten hun eigen urine achter. In extreme gevallen kan dit leiden tot het afsterven van een klimplant.
Klimplanten die in de grond zijn geplant, zijn in de sokkelzone van een gebouw kwetsbaar voor beschadigingen. Beschermingsroosters bieden hier weliswaar bescherming, maar zijn machteloos tegen opzettelijke vernieling. Er zijn gevallen bekend waarin klimplanten bij een gebouw herhaaldelijk zijn afgeknipt of uitgerukt. Dergelijk vandalisme kan oorzaken hebben die mogelijk al vóór de aanleg van de begroeiing herkenbaar zijn. Zo dienen bepaalde straten bijvoorbeeld als terugweg voor dronken nachtbrakers, die vervolgens vernielingen aanrichten. Bij begroeide horecagelegenheden die door een bepaald publiek worden bezocht, kunnen rivaliserende bendes of voetbalfans opzettelijk schade aanrichten. Of ook tegenstanders van gentrificatie, die elke opwaardering van hun wijk willen verhinderen om de stijging van de kale huurprijzen in de buurt te beperken.
Er zijn maar heel weinig klimplanten die zo sterk zijn dat ze vanaf het begin samen met vaste planten of zelfs onkruid in een plantkuil kunnen gedijen. Clematis vitalba en ook veel ‘rode sierwijnen’ behoren tot deze robuuste planten. De meeste andere hebben in de eerste jaren echter hun plantkuil helemaal voor zichzelf nodig om een voldoende grote wortelkluit te kunnen vormen.
Er bestaat ook een risico door ‘vreemde begroeiing’, bijvoorbeeld wanneer zaden van een andere klimplant worden aangewaaid en vervolgens snel en krachtig groeien, bijvoorbeeld langs begroeide straatlantaarnpalen. De bekendste boosdoener is hier wederom Clematis vitalba. Deze soort is zo doortastend dat ze de plantkuil snel ‘overnemen’ en de andere klimplant mogelijk verdringen. Hun verschijning moet worden opgemerkt en bestreden door ze uit te trekken!
Er zijn als het ware verschillende „gewichtsklassen“ van klimsteunen; naarmate het gewicht en de stevigheid toenemen, stijgt natuurlijk ook de prijs. Klimsteunen worden daarom vaak precies afgestemd op bijvoorbeeld een klimplant van gemiddelde sterkte en aan de gevel bevestigd. Als zo’n plant vervolgens uitvalt, heerst er vaak onzekerheid over wat voor botanische soort het eigenlijk was en wat er precies opnieuw moet worden aangeplant. Wordt de verantwoordelijkheid hiervoor overgedragen aan onbekwaam personeel, volgens het motto ‘Plant daar alsjeblieft maar eens een goede klimplant!’,, worden vaak zeer krachtige planten gekozen, zoals blauweregen (Wisteria) of klimknoop (Fallopia / Polygonum), waarvoor de klimsteun echter niet was ontworpen. Dan is schade aan de klimsteun of aan het gebouw onvermijdelijk, tot en met het naar beneden vallen van de begroeiing. Het loont dus de moeite om de begroeiing hier van tevoren vast te leggen, zolang deze nog gezond en weelderig is, bijvoorbeeld door middel van foto’s.
Kent u dat? Plotseling gaat een plant in de tuin vreemd gedrag vertonen: hij groeit veel krachtiger, heeft anders gevormde bladeren en bloemen met een andere kleur. Als dat gebeurt, was het een geënte plant, en de onderstam is nu „doorgeschoten“. In de meeste gevallen groeien beide planten dan nog een tijdje naast elkaar, vaak meerdere jaren, totdat de krachtigere onderstam de andere volledig verdringt. Men zegt dan dat de onderstam ‘zich heeft losgemaakt’ en de daarop geënte entstok heeft afgestoten.
We hadden klanten die jarenlang op druiven hadden gewacht bij een wijnstok die ze bij ons hadden gekocht, maar die kwamen er nooit. Uit onderzoek bleek uiteindelijk dat de onderstam zich had ‘bevrijd’ en het eigenlijke druivenras had verdrongen. De klanten konden er wel om lachen; ze hadden nu in feite een ‘druivenloze wilde wijnstok’, want dergelijke onderstammen vormen vaak slechts kleine of helemaal geen bessen. Maar de plant groeide goed en was gezond, dus mocht ze blijven staan en verder groeien.
Het gebruik van enten bij gevelbegroeiing brengt dus risico’s met zich mee. Vooral wanneer begroeiing bijzonder duurzaam moet zijn, dat wil zeggen langer dan 25 jaar moet meegaan, zijn niet-geënte, ‘wortelzuivere’ planten soms de betere keuze.
In een groene gevel leven spinnen; ook stadsduiven nestelen er graag, en zelfs muizen of een wasbeer kunnen er rondklimmen. Meer informatie hierover vind je op de pagina ‘Dierenwelzijn’.
Omwille van de eerlijkheid moet ook dit probleem worden genoemd. Natuurlijk laat een groene gevel, net als een straatboom, in de herfst zijn bladeren vallen, tenzij het een wintergroene plant zoals klimop betreft. Bij regen kan het blad een gladde laag op het voetpad vormen, die dan – afhankelijk van de regionale voorschriften – door de eigenaar van het perceel (op diens kosten) of door een gemeentelijke dienstverlener moet worden verwijderd. Maar ook in andere seizoenen valt er plantmateriaal op de grond, afhankelijk van de plantensoort. Dat kan vervelend worden en extra onderhoud, dus extra uren voor de conciërge, vereisen. Dit geldt vooral voor bloeiende planten zoals klimrozen, klimtrompetten (Campsis) en ook blauweregen (Wisteria).
Sommige blauweregenen vormen grote hoeveelheden peulvormige zaden, die vervolgens in het vroege voorjaar naar beneden vallen en gedurende een bepaalde periode dagelijks moeten worden opgeruimd, indien er hoge eisen worden gesteld aan de netheid van het voetpad, bijvoorbeeld bij de ingang van een hotel. Een oplossing hiervoor is de keuze van de juiste soort: de toonaangevende wisteria-soort ‘Prolific’ vormt gelukkig vrij weinig zaadpeulen, terwijl ‘Blue Dream’ en ‘Domino’ er juist vrij veel vormen.
Dit gebeurt bij zeer oude begroeiingen met klimop (Hedera helix), maar ook wanneer een gevelbegroeiing dicht bij ramen wordt aangebracht. En/of wanneer bij de klimsteun grote afstanden tot de muur worden gekozen, dus bijvoorbeeld meer dan 10 cm. Het vrije uitzicht vanuit de ramen wordt dan inderdaad belemmerd, net zoals in die gevallen waarin een oud huis achteraf aan de buitenkant wordt geïsoleerd met 14 cm styropor. Daar moet dus rekening mee worden gehouden!
Soms lijken de in een offerte opgegeven kosten voor gevelbegroeiing veel te hoog. Daar valt echter iets aan te doen! Meestal is er hier een aanzienlijke speelruimte, die de volgende punten omvat:
Via deze parameters kan de prijs vaak aanzienlijk naar beneden worden bijgesteld. Ook het zelf uitvoeren van bepaalde werkzaamheden, bijvoorbeeld het markeren van de boorpunten of het verzorgen van de planten tijdens de aangroeifase, helpt geld te besparen. Het afzien van een automatisch bewateringssysteem helpt eveneens, maar deze stap moet wel goed worden overwogen: is regelmatig handmatig water geven überhaupt mogelijk?
Wat de onderhoudskosten betreft, kan het bijvoorbeeld helpen als huurders van een woongebouw hun raamopeningen ‘op zich nemen’ en zelf vrij snijden, mocht daar – vooral bij zelfklimmende planten zoals klimop – regelmatig gesnoeid moeten worden. Door een goede afstemming tussen klimsteun en plant kan het snoeien bij de raamopeningen zelfs helemaal achterwege blijven. En überhaupt: het dure snoeiwerk moet zo zelden als strikt noodzakelijk plaatsvinden, eventueel slechts één keer per twee jaar of bij pijpklimmers (Aristolochia) bijvoorbeeld slechts om de ongeveer 5 jaar.
De volgende fotoreeks illustreert alle hierboven beschreven problemen en risico’s van een aan de grond bevestigde gevelbegroeiing.