Vroeger had elk wijngebied zijn eigen teeltmethoden. De wijnstokken werden ofwel als struiken zonder steun gekweekt, ofwel aan houten steunen in de wijngaard vastgebonden. Rond 1900 raakte in Duitsland de 'Rheinhessische teeltmethode' in zwang, waarbij meerdere draden boven elkaar werden gespannen ('draadframe').
De wijnstokken worden in rijen geplaatst met een plantafstand van meestal ongeveer 1,5 m (bij 2 "bogen" per wijnstok) of 0,8 m (bij 1 boog per wijnstok). Het klimveld, d.w.z. de afstand tussen de onderste en bovenste draad, moet ongeveer 1 m hoog zijn, bij kleinere installaties in de huiswijngaard minimaal 70 cm.
De opbouw van draadframes in de wijngaard is onder andere afhankelijk van de gekozen teeltmethode en moet bij grotere installaties worden uitgevoerd met professioneel advies. In de wijngaard kan het touwsysteem 0050 worden gebruikt.
De keuze van de juiste methode moet worden gemaakt op basis van professioneel advies. Als voorbeeld wordt hier de tweezijdige platte boogopvoeding vanaf het 2e jaar getoond. Gebruik ook de aanwijzingen voorhet 1e jaar.
Bij elke wijnstok vormt zich een zogenaamde "kop", die vervolgens jaarlijks met een lange snoei wordt behandeld. Meestal vindt er een extra zomersnoei plaats.

De vruchtstengel inkorten tot 8 - 12 ogen, later buigen / binden, waarbij de stengels eventueel iets moeten worden gedraaid om splijten te voorkomen.

Kort de twee vruchtstokken in tot ongeveer 9 - 11 ogen, later buigen / binden, waarbij de stokken indien nodig krachtig worden gedraaid. De ranken kunnen het beste ook 2 - 3 keer om de onderste draad worden gedraaid en zo worden vastgezet (aan muren niet per se nodig). Schraap daarbij echter geen knoppen weg!

Eerst inspecteren: er worden 2 sterke, dicht bij de kop gelegen ranken uitgekozen, die op enige afstand van elkaar staan en zich goed naar rechts en links laten buigen. Gebruik hiervoor zo mogelijk geen waterstelen. Van links naar rechts worden dan afgesneden: De linkerboog van vorig jaar tot voor de onderste tak, de rechterboog van vorig jaar volledig samen met een kort stuk van het jaar daarvoor, de reservetak tot voor de onderste van zijn twee takken. Snijd ten slotte de waterscheut gelijk met de kop af, deze is hier of deze keer niet nodig. Beginners moeten de waterscheut eventueel nog als reserve laten staan totdat de twee takken zonder breuk zijn vastgebonden.

Kort de twee vruchtstokken in tot maximaal 13 ogen, buig/bind ze vervolgens vast, draai de stokken krachtig en wikkel ze 2-3 keer rond de onderste draad (niet noodzakelijkerwijs nodig bij muren). Ook in de volgende jaren altijd max. 12 - 13 ogen insnijden. Voor het snoeien worden altijd 2 ranken gezocht die dicht bij de kop staan, maar toch uit elkaar staan en goed kunnen worden gebogen. Na het 6e/7e jaar, wanneer er al veel waterscheuten aan de kop zijn weggesneden, is de kop door de overeenkomstige vergroeiingen "vruchtbaarder" en kunnen ook nieuwe waterscheuten direct als vruchtstokken worden gebruikt. In de eerste jaren zijn ze meestal onvruchtbaar, de scheuten die eruit komen dragen dus geen druiven.