Bij dakachtige begroeiingen werkt de interactie tussen wijnstok en klimsteun zo dat alleen de hoofdtakken van de plant, het zogenaamde "oud hout" (in de volgende afbeeldingen donkerbruin), aan palen, latten of draden van de pergola worden vastgebonden. De vruchtdragende nieuwe scheuten groeien dan eerst steil omhoog, totdat ze zich met toenemende belasting steeds meer op de klimsteun gaan leggen en zich met hun ranken in elkaar verstrengelen.
Hieronder worden drie verschillende varianten voor de opbouw weergegeven, namelijk voor smalle (variant 01), middelgrote (var. 02) en brede pergola's (var. 03).

Wijnpergola met spanbanden in de late herfst (variant 02 - zie hieronder, eventueel ook als tussenstap in de opbouw naar variant 03).

Dit bijzonder dichte bladerdak wordt bereikt door dicht naast elkaar geplaatste wijnstokken aan klimkoorden volgens systeem 0040. Op deze foto zijn de bruine cordons op kegelvormig gesnoeid, de lange trossen en bloemen aan de jonge wijnstokken zijn zichtbaar. De opstelling komt overeen met variant 03 (zie hieronder), maar dan met kegelvormige snoei.

Variant 01:
voor pergola's met een geringe breedte van 0,5 tot 1,0 m. De stam van de wijnstokken wordt hoog geleid, boven parallel aan de balk geleid en vastgebonden. De uitlopers bevinden zich om de ca. 15 cm en worden kort gesnoeid.
Bij de opbouw kunnen elk jaar samen met de horizontale stamverlenging ongeveer 3 tot 6 nieuwe uitlopers bijkomen. Voor meer bladerdichtheid kan indien nodig worden overgeschakeld op de gemiddelde snoeiwijze.

Variant 02:
voor pergola's, prieeltjes enz. met een breedte van 1,0 tot 1,5 m. Bij vrijstaande objecten die aan twee zijden worden begroeid, kan de breedte bij deze vorm in totaal ca. 3,0 m bedragen (zie foto linksboven). Het stamhout wordt langs de hoofdbalken aan de randen geleid, de opbouw gebeurt zoals bij variant 01, alleen hebben de afzonderlijke uitlopers een grotere afstand van ca. 50 cm. Geleidelijk aan worden ze omgeschakeld naar de lange snoeiwijze.

Variant 03:
voor objecten die nog breder zijn dan in variant 02. Een zeer variabele vorm.
De opbouw gebeurt op dezelfde manier als bij de horizontale kordon, waarbij net als bij een kam meerdere takken uit één plant kunnen worden getrokken.
De stamtakken hebben een afstand van ca. 1 m, de uitlopers krijgen eerst een korte snoei, later eventueel ook een middelgrote en lange sneden.