Deze vorm van opbinding – ook bekend als 'vrije', 'wilde', 'onregelmatige' vorm of 'waaiervorm' – is de meest gebruikelijke en waarschijnlijk ook de oudste vorm voor wijnstokken aan muren. Deze vorm komt vooral buiten de wijnbouwgebieden voor en is minder geschikt dan de strikte cordonvormen, omdat hij vaak onoverzichtelijk wordt. Voor de volledigheid wordt deze vorm hier toch behandeld.
Volgens de situatie kunnen de waaiervormige leibomen ook verder vertakt en gevarieerd worden. Het aantal takken en vertakkingen moet echter zo beperkt worden dat er tussen hen aan de buitenrand van de wijnstok een afstand van 0,5 tot 1,0 meter blijft.
Voor een goed resultaat moeten er op de volledig opgebouwde latwerk meerdere snoeivormen worden toegepast, namelijk in het onderste gedeelte eerder kort tot middellang en in het bovenste gedeelte lang. Dit maakt het voor beginners moeilijker. Helaas worden de latwerken dan snel onoverzichtelijk als door een gebrek aan snoeikennis het stamwerk en de zijtakken niet duidelijk van elkaar zijn gescheiden.

Kleine wijnstok in waaiervorm met lange snoei (boogsnoei), de vruchtdragende scheuten zijn hier al bijna horizontaal vastgebonden.

Opbouw van een waaiervormige wijnstok aan een staalkabelnetwerk vergelijkbaar met systeem 5030, stadium ongeveer analoog aan afbeelding 09 (zie hieronder).

Afbeelding 08: Op elk van de 3 takken worden 3-4 knoppen voor toekomstige scheuten achtergelaten. Aan het uiteinde van de scheuten blijven telkens 1 of 2 knoppen achter voor de verlenging van de stam, op de takken blijven op een ruime afstand van 20 - 40 cm scheuten achter voor toekomstige "uitlopers". Overbodige knoppen worden weggebroken.

Afbeelding 11: Op de scheuten voor de stamverlenging worden opnieuw de meeste knoppen of kleine jonge scheuten verwijderd. Per scheut blijven slechts 1 à 2 knoppen over voor de nieuwe stamverlenging en -vertakking, evenals opnieuw verspreid over de hele lengte om de 20 à 40 cm scheutknoppen voor verdere toekomstige vertakkingen.

Afbeelding 12: Uitlopen. Dit beeld moet vooruitziend worden gepland en bij het rangschikken van de uitlopers op de stammen in aanmerking worden genomen, zodat deze niet te dicht op elkaar staan. Anders belemmeren de scheuten elkaar jaar na jaar bij het uitlopen. Voor het overige moet alles vrij eenvoudig en minder streng worden behandeld dan bij de andere vormen. De uitlopers worden later kort, verder naar boven en buiten ook halflang en lang geknipt.