De snoeitechniek met touwen is vooral geschikt voor smalle, verticale oppervlakken en/of wanneer er hoge eisen worden gesteld aan tafeldruiven. Wat in het begin streng en onnatuurlijk lijkt, is al snel superieur aan elk 'vrij' latwerk: er is geen langdurig sorteren van scheuten nodig, het snoeien wordt routine en het stamwerk blijft overzichtelijk.
De methode om wijnstokken als verticale snoeivorm te kweken komt waarschijnlijk uit Frankrijk en werd voor Duitsland door Hardy / Jäger in het werk "Der Obstbaumschnitt" (Het snoeien van fruitbomen), Erfurt 1855 beschreven als "Herzstamm" (hartstam).
Zonder voetgedeelte heeft elke kordon een muurvlak van ongeveer 0,6 x 1 m nodig, maximaal 1,5 m x 2,5 m. Bij brede oppervlakken worden meerdere wijnstokken geplant, met een plantafstand van ongeveer 1,5 m. Bij hoge muren worden meerdere kordons op verschillende hoogtes geplaatst (zie afbeeldingen hieronder).
Een verticaal touw, bij voorkeur drie strengen (afstand 30 - 40 cm), zodat jonge scheuten zich aan beide kanten kunnen vastklampen of eraan vastgebonden kunnen worden. Bij zeer smalle oppervlakken 2 latwerkstrengen en de scheuten aan slechts één kant verdelen (zie foto). Houten latwerk is ook geschikt.
Zie afbeeldingen. De verticale groei per jaar bedraagt ongeveer 50 tot 80 cm, dus ongeveer 4 nieuwe 'uitlopers'. Uiteindelijk maximaal ongeveer 8 - 12 uitlopers of een afstand van de onderste tot de bovenste uitloper van maximaal 2 m, anders vallen de onderste uitlopers weg. De snoeiboom eindigt ongeveer 50 cm onder de bovenkant van het latwerk. Na de opbouw volgt een korte snoei, idealiter met het vastmaken of insteken van de groene scheuten op een of beide randkabels. Bij de bovenste vertakking een gemiddelde snoei, omdat de groeikracht daar erg sterk is. Eventueel later en gedurende 2-3 jaar enkele uitlopers omzetten naar een lange snoei (zie afbeeldingen hieronder), beginnend bij de bovenste uitloop tot aan de onderste, maar dan in totaal nog maar ongeveer 4-6 uitlopers per cordon en een grotere afstand tussen de afzonderlijke verdiepingen. Verder eventueel zomersnoei.

Foto bij afbeelding 11 (zie hieronder): Het reeds gevormde stamgedeelte en ook de stamelongering worden stevig vastgezet met harde binders of zachte rubberen binders.

Vorm 01 - Wisselende snoei: Voor elke afkomst wisselt de snoei hier van het ene jaar op het andere van lang naar kort en omgekeerd ("wisselende snoei"). Zo kunnen de afkomsten die door lange snoei en hoge opbrengst mogelijk verzwakt zijn, zich het volgende jaar herstellen en weer sterke takken produceren voor een volgende lange snoei.

Vorm 02 - Platte bogen: Hier waren al enkele uitlopers weggevallen, nu werden de overgebleven uitlopers lang gesneden en - omdat de klimsteun horizontaal was - plat gebogen en vastgebonden. Vervangende pennen aan de uitlopers zijn niet nodig, omdat bij platgebonden bogen alle ogen ongeveer even sterk groeien en zo ook dicht bij de uitloop sterke stengels ontstaan voor de volgende snoei.

Vorm 03 - Halve bogen: Hier werden de ranken van alle uitlopers tot "halve bogen" gebonden, omdat de klimsteun verticaal was. Door het hoogteverschil van de nieuwe scheuten die uit de knoppen groeien, kunnen de vele druiventrossen beter over het oppervlak worden verdeeld dan bij platte bogen en drukken ze niet op elkaar. De afstand tussen de uitlopers onder elkaar aan één kant moet minimaal 60 - 80 cm bedragen.

Combinatie van wisselende cordon (verschillende hoogtes) en palmette (meerdere parallelle armen) bij korte snoei. Bij een systeem met lange snoei moeten de afstanden van 1,5 m worden vergroot tot ca. 2 m. Indien nodig kunnen de armen van de twee dubbele palmettes ook zo worden getrokken dat er in plaats van 4 slechts 2 stamassen ontstaan (foto rechtsboven) en de wijnstokken zelfs samen in een plantkuil komen (kokerplanting).