De volgende montage-instructies gelden uitsluitend voor enkele middelgrote "Classic"-bouwpakketten. Het gaat om bouwpakketten die niet alleen "touwhouders" bevatten, maar ook ringbouten ("gemengde constructie"). Dit betreft de touwsystemen 2030, 2040, 4010, 4050, 5010, 6020, 6030, 6040, 7050 en 7060. Dergelijke opstellingen kunnen snel worden gemonteerd, de ogen dienen bijvoorbeeld om een aan de buitenkant lopende "framekabel" in de hoeken om te leiden. Alle informatie op deze pagina moet worden gezien in samenhang met de 10 - 25 montagegrafieken bij een van de bovengenoemde kabelsystemen. Gebruik deze links en ga naar het kabelsysteem dat u hebt gekocht. De hier getoonde afbeeldingen vormen een aanvulling op de daar getoonde grafieken. Controleer voordat u een bestelling plaatst of u gereedschap nodig hebt!
De symbolen in de afbeelding geven de wandbevestigingen en daarmee de boorpunten aan. Kleine grijze cirkels (afbeelding) geven kruisbevestigingen aan, grijze ellipsen geven ringschroeven aan en tonen hun uitlijning in overeenstemming met de latere krachtverdeling. Boor alle punten en reinig ze vervolgens meteen borstel en een blaasbalg. Indien nodig worden de in de bouwset meegeleverde kousen op de plaatsen waar later touwlussen met touwklemmen komen, in de ringschroeven gestoken en met een tang samengedrukt (foto).
De kleine rode balkjes geven aan hoe de groeven van de kruishouders moeten worden uitgelijnd. Soms moeten de groeven diagonaal staan, dus in een hoek van 45 graden. Monteer nu alle houders en raadpleeg daarbij het productblad van de betreffende wandhouder (standaard bij bouwpakketten meestal WH 10151 of WH 10150). Meestal worden de houders aan de schacht iets ingevet, met een steeksleutel op de flensmoer vastgezet en vervolgens vastgedraaid. In uitzonderlijke gevallen, zoals bij WM 10081, wordt een schroevendraaierblad door de groeven gestoken en wordt de houder zo vastgedraaid. De borgschroeven bij kabelhouders worden voor de montage verwijderd.
Op de afbeeldingen van de betreffende basisvorm wordt een montage met weinig afval getoond, die meestal zonder enige kabelspanner kan worden uitgevoerd. Bij sommige basisvormen wordt de frame kabel niet met lussen en kabelklemmen bevestigd, maar direct in de kabelhouders. Hiervoor wordt de kabel zoals getoond door meerdere ringbouten geregen en met een overstand van ca. 10 cm slap in de kabelhouder gelegd. De stelschroef wordt geplaatst, matig aangedraaid en in een tweede stap nog iets steviger vastgezet door deze met een steeksleutel (foto) tegen te houden.
Bij veel basisvormen wordt het buitenste "frametouw" met twee lussen bevestigd. Hiervoor wordt het touw eerst door meerdere of zelfs alle ringbouten getrokken, en wel in de aangegeven volgorde. Het touw wordt nog niet in de touwhouders geplaatst. Een dubbele knik in de staalkabel (foto) met 15 cm overhang vergemakkelijkt het vormen van de volgende, eerste lus.
Na het inrijgen wordt aan een bepaalde ringschroef de eerste touwlus gevormd (afbeelding). Het touw wordt om de samengedrukte kous gewikkeld en direct daarachter met een touwklem vastgeklemd. Het touw dat achter de klem uitsteekt, moet ongeveer 10 cm bedragen.
Vervolgens wordt het touw ook door de groeven van de touwhouders geleid (afbeelding), en wel slap en zonder dat er stelschroeven worden gebruikt of vastgedraaid.
De volgende stappen vinden plaats bij de ringbout waar het touw eerst doorheen werd geregen. Daar wordt nu het andere uiteinde van het touw achter de houder vastgezet met een montageklem en met handkracht (ca. 5 - 10 kg) strak getrokken. Een tweede montageklem om beide strengen net achter de ringschroef (foto) vast te zetten, is hierbij handig, zodat de touwklem (afbeelding) rustig kan worden geplaatst. Vervolgens worden de klemmen losgemaakt en wordt het touw – met ongeveer 10 cm overhang – achter de klem met een touwschaar afgeknipt.
Wanneer een kabel in een kabelhouder wordt gespannen (afbeelding), wordt de tweede montageklem direct achter de kabelhouder (foto) op de kabel geklemd om de gespannen toestand tijdelijk te fixeren. Deze functie kan ook worden vervuld door eenklemring of een kruisklem, die vaak toch al in het kabelsysteem is voorzien. Nadat de stelschroef in de kabelhouder is vastgedraaid, wordt de fixatie verwijderd.
Wanneer een kabel – in dit geval de framekabel – door een of meerdere kabelhouders loopt, wordt deze daar eerst alleen maar ingelegd. De stelschroeven worden nog niet vastgedraaid, of alleen om de kabel tijdelijk vast te zetten. Het definitief vastdraaien van deze stelschroeven gebeurt aan het einde of wanneer iets later een tweede kabel in de betreffende houder wordt bevestigd (foto) en de houder op de bijbehorende afbeelding dan vetgedrukt in rood is gemarkeerd.
Als er op de afbeeldingen nog meer kabelstukken te zien zijn, worden deze volgens het hierboven beschreven principe gelegd. Op plaatsen waar staalkabels elkaar kruisen (afbeelding), worden nog vrij zwevende kruisklemmen geplaatst, als dit op de afbeeldingen te zien is. Ten slotte worden alle uitstekende kabeluiteinden voorzien van geperste eindhulzen (foto). Als de kabels zoals aangegeven ongeveer 10 cm uitsteken, kunnen ze daar in latere jaren, indien nodig, opnieuw worden vastgezet en opnieuw worden aangespannen.