Fassadengruen
DeutschEnglischFranzösischDänischItalienischNiederländischTschechischSlowakisch

Achteraf montage in harde isolatie

Het achteraf bevestigen van klimelementen op harde isolatie komt zelden voor, omdat er nauwelijks dergelijke gevels zijn. In dat geval worden gevelgroen-kabelhouders WM 12XX6 of latwerkhouders AS 12XX6 gebruikt. Op deze pagina wordt de montage uitgelegd en worden de productbladen van WM 12XX6 en AS 12XX6 aangevuld.

Voorwaarden

Muren met doorlopende, zeer drukbestendige isolatie zoals schuimglas (piepschuim/EPS-hardschuim is niet hard genoeg). Achter de isolatielaag is een dragende ondergrond zoals beton, natuursteen, massief metselwerk, hol metselwerk of cellenbeton vereist.

Boren

Het boren gebeurt met een extra lange hamerboor Ø 16 mm of bij een isolatiedikte tot 16 cm ook met een klopboor. De boordiepte in de dragende ondergrond bedraagt ca. 10 - 14 cm. Het is absoluut noodzakelijk om loodrecht en horizontaal te boren. Het boorgruis wordt opgevangen of afgezogen, zie voor details het informatieblad Boorwerkzaamheden.

Holle muur

Bij holle muren moeten extra lange zeefhulzen SD 16130 worden gebruikt, met een boring van minimaal 16 mm en een diepte van ca. 140 mm. De rand van de zeefhulzen wordt tot op een klein restje weggesneden, zodat ze beter kunnen worden ingebracht en toch niet te diep wegglijden.

Verbindingsmortel inspuiten

Volg hiervoor de bouwinstructies van de verbindingsmortel. Bij zeer dikke isolatie indien nodig een verlengstuk op de mengbuis van de patroon plaatsen (gelieve te informeren). Vul voldoende mortel bij. Ook in het gebied van het montage-element (hardschuimlichaam) moet de schacht later zo mogelijk aan alle kanten door mortel worden omgeven.

Schroefdraadsteel insteken en positioneren

Draai de schroefdraadschacht in het boorgat dat rijkelijk gevuld is met composietmortel en zet deze indien nodig van onderaf vast om verzakking tijdens het uitharden te voorkomen. Verwijder uitpuilende mortel met een doek. Na het plaatsen moet de schacht precies even ver als de gekozen wandafstand (zie WM 12XX6 of AS 12XX6) boven de buitenrand van de wand uitsteken.

Kleine kleefring

Na de op de mortelpatroon aangegeven uithardingstijd wordt verder gegaan met de montage. Voor een optimale afdichting moet het pleisterwerk redelijk vlak of glad (geschuurd) zijn. Eerst wordt de kleine kleefring op de schacht geschoven en stevig tegen het pleisterwerk gedrukt.

Afdekschijf

Daarna volgen de roestvrijstalen steunschijf met daarop gelamineerde schuimrubberen afdichting en de eveneens op de achterkant geplakte grote zwarte kleefring.

Flensmoer

Vervolgens wordt de flensmoer vastgedraaid en met een steeksleutel tegen de afdekschijf aangedraaid totdat de draadstang strak zit en verder draaien met gemiddelde handkracht niet meer mogelijk is. Door de constructie blijft er een "open voeg" van ca. 0,5 mm tussen de afdekschijf en de wand.

Twee platte moeren

Vervolgens worden twee platte moeren vastgedraaid. De eerste wordt als contramoer tegen de flensmoer vastgedraaid, hiervoor wordt een tweede steeksleutel of ringsleutel gebruikt. De tweede platte moer blijft verder naar buiten op de schroefdraadschacht zitten.

Kruiskop of lat bevestigen

Vervolgens wordt bij WM 12XX6 de kruiskop vastgeschroefd en met de tweede platte moer als contramoer stevig vastgezet, eerst zonder stelschroef. De verdere montage gebeurt vervolgens volgens de specificaties van het betreffende kabelsysteem of zoals beschreven voor zware bouwpakketten. Bij AS 12XX6 wordt de trellisbalk bevestigd.