Fassadengruen
DeutschEnglischFranzösischDänischItalienischNiederländischTschechischSlowakisch

Montage van kleine steunelementen

Er zijn verschillende mogelijkheden om klimsteunen aan warmte-isolatie te bevestigen. Een daarvan is het achteraf aanbrengen van kleine steunelementen. De bevestiging gebeurt dan in de afgewerkte isolatie, meestal met composietmortel. Op deze pagina wordt de montage van dergelijke afstandhoudersystemen uitgelegd en worden de productbladen van WM 12XX8 (voor staalkabels) en AS 12XX8 (voor houten latten) aangevuld.

Het doorboren van de isolatie

Beginners en doe-het-zelvers dienen de instructies in de informatiebrochure Boorwerkzaamheden in acht te nemen. Snijd de isolatie uit met een cilinderschaaf of iets dergelijks, d = 60 mm, en zuig het vuil weg. Gebruik voor het centrale binnenste boorgat een hamerboor of klopboor met een diameter van 16 mm. Reinig de ondergrond van de dragende muur van isolatiemateriaalresten, lijm enz. en maak deze indien nodig glad, zodat het afstandselement van de muurhouder een glad, drukvast contactoppervlak krijgt. Maak grotere oneffenheden glad met composietmortel en indien nodig door een steunelement in te brengen en te draaien, bij voorkeur tijdens het vastlijmen van de houders.

Afstand instellen

De wandhouder steunt op een modulair afstandsblok, dat ter plaatse wordt samengesteld uit het eigenlijke afstandslichaam (hardhout) en een bepaald aantal bijbehorende afstandsschijven (kunststof). Hiervoor is een nauwkeurige aanpassing nodig. Afhankelijk van de boring zijn er geen of tot 8 of 12 afstandsschijven nodig (foto's). Als er dikke afstandsschijven van 10 mm dik worden gebruikt, moeten deze direct achter het hoofdafstandselement worden geplaatst en pas daarna eventueel nog vlakke schijven van 1,5 mm.
Bij een wisselende ondergrond achter de isolatie (gerenoveerde oude gebouwen) moet de aanpassing eventueel voor elke afzonderlijke houder worden uitgevoerd. Bij een gelijkmatige ondergrond wordt de aanpassing aan één boorgat uitgevoerd en wordt de vastgestelde samenstelling van het afstandblok vervolgens toegepast op alle andere boorgaten.
In elk geval wordt het afstandblok zo samengesteld dat het ongeveer 2-3 mm uitsteekt boven de buitenrand van de muur. Op deze manier wordt tijdens de montage de aanvankelijk 5 mm dikke muurafdichting gedoseerd samengedrukt, zonder dat het WDVS wordt vervormd. De schroefdraadschacht van de houder wordt met de opgestoken schijven steeds opnieuw proefgewijs in het boorgat geschoven, totdat het juiste aantal afstandsschijven is bereikt en het afstandblok optimaal is samengesteld.
Als het afstandblok minder dan 2 mm uitsteekt, kan bij het aandraaien van de stelmoer een concave vervorming van de grote roestvrijstalen afdekschijf optreden.
Bij het achteraf isoleren van oude gebouwen komt het voor dat de isolatie vanwege oneffenheden in de muur verder naar voren komt dan voorzien en dat het geleverde steunblok niet lang genoeg is. In overleg met "FassadenGrün" kunt u in dat geval extra afstandhouders of -schijven aanschaffen.

Montage van de interne componenten

De montage van de schroefdraadschacht en het afstandblok gebeurt meestal met composietmortel en eventueel aanvullend met zeefhulzen en wordt hier dienovereenkomstig beschreven. De montage wordt op de foto's praktijkgericht getoond, hier voor een wand met minerale wolisolatie. De foto's zijn afkomstig van verschillende boorgaten en zijn onder andere bedoeld om speciale probleemgevallen te verduidelijken. Bij piepschuimisolatie is de procedure hetzelfde. De muurbeugel wordt volledig gedemonteerd of werd al zo geleverd.
De boordiameter is gelijk aan de schachtdiameter plus 4 mm. Een ringopening van 2 mm dik is gunstiger dan een opening van slechts 1 mm, omdat de slecht warmtegeleidende laag van de mortel de ontstane koudebrug vermindert. Ook bij gebruik van zeefhulzen moet er met Ø 16 mm worden geboord. De verankeringsdiepte bedraagt minimaal 8 cm, de boordiepte minimaal 1 cm meer, gewoonlijk ca. 10 - 13 cm, afhankelijk van de gewenste wandafstand. De boorgaten moeten worden geborsteld en uitgeblazen, bij voorkeur meerdere keren. Vervolgens worden alle schroefdraadstangen eerst proefgewijs in hun boorgaten gestoken. Daarbij wordt gecontroleerd of ze diep genoeg kunnen worden gestoken en loodrecht en horizontaal kunnen worden uitgelijnd. Als dit nog niet het geval is, moet er worden naboord, moeten de stangen worden ingekort en/of eventueel iets worden gebogen. Bij gebogen schroefdraadstangen kunt u het beste bovenaan met een vetstift (op de foto geel) een punt markeren, wat later het correct insteken en daarmee een vlot verloop bij het verlijmen vergemakkelijkt.
Bij het verlijmen moet de bouwinstructie van de composietmortel worden gevolgd. De boorgaten of zeefhulzen worden voldoende tot ruim gevuld met mortel, zodat de uitlopende composietmortel tegelijkertijd kan dienen als inbeddingsmassa voor het hardhouten lichaam. Bij richels, oneffenheden enz. in het gebied rond het binnenste boorgat moet daar extra verbindingsmortel als "lijmmassa" worden aangebracht, zodat het hardhouten lichaam voldoende wordt ingebed en later over het hele oppervlak aansluit. Vervolgens worden de schroefdraadstelen samen met de steunlichamen vastgelijmd. Als er meerdere steunlichamen worden gebruikt (bijv. 8 + 4 cm), moet eerst het langere worden ingebracht. De ingebrachte steunlichamen worden krachtig tegen de dragende binnenwand gedrukt en vergemakkelijken vervolgens het vastzetten van de schroefdraadstangen. Indien nodig moeten nog extra hulpmiddelen zoals lucifers en dergelijke worden gebruikt. Nadat een schroefdraadstang in het met composietmortel gevulde boorgat is gestoken, moet de stang de gekozen overstand ten opzichte van de buitenwand hebben (ca. 5 - 8 cm, afhankelijk van de isolatiedikte) en loodrecht en waterpas zijn uitgelijnd. Het is niet mogelijk om de insteekdiepte achteraf te corrigeren nadat de mortel is uitgehard. Alleen de uitlijning kan eventueel nog worden gewijzigd door buigen of gedoseerd slaan. Het achterste steunlichaam wordt als het ware aan de binnenste dragende muur vastgelijmd.
Wanneer de schacht zijn volledige belastbaarheid heeft bereikt volgens de op de mortelpatroon aangegeven uithardingstijd, wordt de verdere montage uitgevoerd.

Montage van de buitenste componenten

Nu worden de afstandsschijven aangebracht zoals hierboven beschreven onder "Afstand instellen". Vervolgens wordt de roestvrijstalen afdekschijf aangebracht, waarbij de gelamineerde afdichtring in de richting van het pleisterwerk wijst. Vervolgens worden de veerring en de twee schroefmoeren aangebracht, namelijk de volle moer als aandrukmutter en de andere (platte moer) als contramoer voor de kruiskop of oog. Om de kruiskop vast te zetten, wordt een plat gereedschap door een van de groeven gestoken om tegen te houden.
Ten slotte wordt bij alle houders de aandrukmutter met een steeksleutel middelmatig vastgedraaid, totdat de hele houder stevig vastzit. Indien nodig wordt de kop met een tweede steeksleutel of iets dergelijks tegen verdere verdraaiing geborgd, indien deze met losneembare schroefpluggen is gemonteerd. Pas door deze krachtige spanning krijgt het element zijn belastbaarheid. De verdere montage gebeurt zoals beschreven voor zware bouwpakketten.