Klimplanten zijn verschillend vorstbestendig, sommige gedijen slecht in koude gebieden. Deze "geografische ligging" van een locatie kunt u alleen maar accepteren en nauwelijks veranderen. Sommige factoren die hier een rol spelen, namelijk "licht", "windbescherming", "water" enz., kunt u echter wel beïnvloeden, zodat een gewenste plant ook op een niet-optimale locatie toch voet aan de grond kan krijgen...
Planten hebben licht nodig om bloemknoppen te vormen. Even belangrijk is de warmte van de zon: tegen een zonnige bakstenen muur kan een microklimaat ontstaan dat een overvloed aan vruchten en bloemen voortbrengt die anders in de volle grond ondenkbaar zouden zijn! Tegelijkertijd slaat de muur de warmte op en geeft deze in de avonduren weer af, wat de rijping nog eens bevordert. Bij houten huizen en huizen met buitenisolatie is dit 'oven'-effect ook aanwezig, maar minder sterk.
Veel warmte bevordert helaas ook de verdamping en daarmee het waterverbruik. Sommige soorten worden onder hittestress ook vatbaar voor schimmel.
Om de zoninstralingstijd van een muur te bepalen, moet een zonnige dag begin mei of eind augustus worden gebruikt om al te optimistische beoordelingen te voorkomen. De volgende indeling wordt voorgesteld:
1. 8-12 uur: blootgesteld, volledig zonnig
2. 5-8 uur: zonnig
3. 2-5 uur: halfschaduw
4. 0-2 uur: halfzonnig of schaduwrijk
Zowel een zuidoostelijke als een westelijke muur kan dus een "blootgestelde" locatie zijn.
Elk open veld met vrijstaande huizen is een "windgevoelige locatie" en slechts beperkt geschikt voor groene bebouwing, omdat planten daar veel water verdampen. Beter zijn "windbeschermde" locaties, dat wil zeggen plaatsen waar door verhogingen in het terrein, omringende bebouwing of bosjes een windscherm ontstaat. Stedelijke locaties kunnen bijna altijd als windbeschermd worden beschouwd.
Humusrijke tuinaarde is de optimale bodem voor klimplanten, een aandeel kruimelige leem is meestal bevorderlijk. Een hoge grondwaterstand (bij ca. 0,5 tot 1 m) of ook een kleilaag in de ondergrond kunnen leiden tot zorgwekkende waterverzadiging.
Bodems worden nog onderscheiden naar dikte van de voor wortels goed doordringbare bodemlaag in diep (minstens ca. 75 cm), middelmatig diep (35-45 cm) en ondiep (slechts 15-25 cm).
Bijna alle klimplanten waren bos(rand)bewoners en dankbaar voor een beschermde, vochtige bodemzone, die slechts onderhevig is aan geringe temperatuurschommelingen. In het bos werd dit gegarandeerd door een natuurlijke mulchlaag, bij een groene gevel moet deze toestand eerst worden gecreëerd. Dit wordt bereikt door een 6 - 10 cm dikke mulchlaag van bladeren, stro, gemaaid gras e.d., die na het planten regelmatig wordt vernieuwd en ook geen schuilplaats voor slakken mag worden.
Ja, klimplanten drogen de grond uit, zoals onder 'Bouwdroging' wordt aangetoond. Maar deze natuurlijke bodemvochtigheid en ook het diepere grondwater zijn vaak slechts voldoende als 'noodvoorziening'. Vanwege het oveneffect – zie hierboven – moeten bijna alle begroeiingen van gebouwen regelmatig worden bewaterd!
Als klimplanten in de wortelzone van grote struiken of bomen worden geplant of in de buurt van planten die veel voedingsstoffen en water opnemen, kan dit hun ontwikkeling ernstig belemmeren. Dit kan worden voorkomen met 'wortelbarrières' van folie, stenen platen of een grote plantenbak met een uitgeslagen bodem. Zelfs kleinere onderbeplantingen kunnen in de eerste groeifase hinderlijk zijn voor de klimplant.