Vanaf 1850 ging het bergafwaarts met de wijnbouw in Europa, die zich terugtrok naar enkele gebieden met een gunstig klimaat. De schuld lag bij de druifluis en nieuwe schimmelziekten, die zich verspreidden via latwerk. Zo werd druivenwijn verdrongen door blad- en sierplanten in de groene bebouwing...
In de tweede helft van de 19e eeuw werden gebouwen versierd met groen wanneer de keizer of koning op bezoek kwam. Dit was gebaseerd op de oude traditie om niets weg te gooien en alles te gebruiken, ook de restjes van groenblijvende planten (klimop, buxus, hulst). De scheuten werden tot slingers gevlochten en aan de gevels bevestigd, omdat de leerachtige, gewaxte bladeren lang meegingen. Maar toen er zoveel nieuwe klimplanten beschikbaar kwamen, probeerde men op veel plaatsen deze groene slingers te vervangen door permanente begroeiing op klimdraden. In navolging van een trend uit Engeland kregen landhuizen en villa's vaak ook begroeide houten latwerk, niet vanwege de opbrengst, maar ter versiering. Sindsdien zijn rozen en clematissen niet meer weg te denken! Soms werden dergelijke sierlatwerk ook zonder begroeiing aangebracht.
Na de gewonnen oorlog tegen Frankrijk stroomde het geld vanaf 1871 in Duitsland binnen en werd er volop gebouwd. In het landelijke of kleinstedelijke milieu ontstonden daarbij volgens oude traditie ook af en toe begroeiingen, praktisch gezien met wijnstokken of leifruit. In de stedelijke agglomeraties speelde begroeiing van gebouwen daarentegen nauwelijks een rol. Dat geldt zowel voor de industriële architectuur als voor de woningbouw. Vanwege de klimaatverandering en ook vanwege de afnemende aantrekkelijkheid van de binnensteden is er in Gründerzeit-wijken inmiddels een sterke druk om gebouwen achteraf te begroenen. Ook en niet in de laatste plaats vanwege het algemene graffitiprobleem. Hier is het vaak belangrijk om monumentenzorg als partner te winnen!
De nieuwe klimplanten, die het assortiment nog verder uitbreidden, kwamen uit Azië, vaak via Engeland, zoals Akebie (1845), boomkruid (1860), wilde wijn (1862), kiwi (1874) en duizendknoop (1899). Uit Engelse kweek kwam in 1858 ook de nog steeds beroemde "Clematis Jackmannii". Al snel volgden honderden rozen- en clematiskweken uit Engeland en Frankrijk, en rond 1900 waren vrijwel alle klimplanten die ook vandaag de dag nog belangrijk zijn, ingeburgerd.
Na bestudering van de uitgebreide beeldcollectie van de Zwitserse Nationale Bibliotheek kan worden aangenomen dat vanaf 1850 het tijdperk van de grote, meerlaagse leiboomfruitbomen bij huizen begon. Het vinden of gericht kweken van veel nieuwe fruitsoorten, met name peren, heeft hier wellicht aan bijgedragen. De bijbehorende wetenschap, de 'pomologie', stond destijds in hoog aanzien. Vóór 1850 werden fruitbomen soms dicht bij huismuren geplant, maar er zijn geen afbeeldingen te vinden van fruitbomen die aan houten leibomen zijn vastgemaakt.
Natuurlijk werden ook de prieeltjes van de steeds talrijker wordende volkstuinen vaak begroeid. Parallel hieraan ontstond vanaf 1900 de tuinstadbeweging, maar deze wordt apart beschreven.