Er zijn enkele steden die in de tijd van het classicisme een levendige bouwontwikkeling hebben doorgemaakt en veel groene daken hebben, waarvan sommige zelfs nog uit die tijd stammen.
Uit Noord-Amerika kwam in die tijd de pijpbloem (1783), daarna volgden uit Azië Chinese en Japanse blauweregen (1816 en 1830) en ook Clematis montana (1831).
De "Biedermeier" van ca. 1815 tot 1850 was een levenslustige stijl binnen het classicisme, die zich afkeerde van fanatiek idealisme van welke aard dan ook. In plaats daarvan ging het erom stijlvol te leven en te genieten in de kring van familie en vrienden. Tuinkunst speelde daarbij een grote rol, er ontstonden de "Biedermeier-tuinen" met bloemen, begroeide muren en leiboomfruit.
Met de invoering van de leerplicht werden veel schoolgebouwen gebouwd, vooral op het platteland. Ook deze werden bekleed met leibomen, meestal voor wijnstokken. Ook pastorieën en riddergoederen werden nu begroeid, als dat nog niet eerder was gebeurd. Zelfs kerken kregen wijnleibomen!
Omdat het technisch mogelijk was, werden er nu veel 'glazen huizen' gebouwd, oftewel kassen van glas. Naast zuidelijke planten werden daar, tegen de binnenste glaswanden, vaak ook wijnstokken gekweekt. Dat ging toen uitstekend, omdat er nauwelijks wijnziekten waren. Grotesk genoeg begon de neergang van de Europese wijnbouw waarschijnlijk in 1845 in zo'n Engelse glazen kas, toen daar voor het eerst de later gevreesde 'echte meeldauw' werd ontdekt... Meer informatie vindt u onder 'Wijnstokken in de kas'.