Bouwschade door klimop en andere klimplanten is een gevoelig onderwerp. Hier leest u welke problemen er kunnen ontstaan bij gevelbegroeiing en hoe u deze kunt voorkomen. Bouwschade houdt altijd verband met groeikenmerken die bij planten afzonderlijk of in combinatie voorkomen. Er worden hier drie schadegroepen (SG 01 - 03) onderscheiden:
SG 01 - Zelfklimmers: planten die met hechtorganen zelf aan gevels omhoog klimmen. Dit zijn klimop, klimhortensia, sommige klimtoornelijken, wilde wijnstok en wilde muurwijn. Resten van dergelijke hechtorganen leiden soms tot bouwgebreken of zelfs tot schade.
SG 02 - Lichtmijders: planten waarvan de scheutuiteinden lichtmijdend ("negatief fototroop") in spleten en kieren groeien en daar bouwschade kunnen veroorzaken. Alle zelfklimmers (SG 01) en - in ieder geval tendentieel - alle sterke slingers (SG 03) groeien mogelijk lichtmijdend.
SG 03 - Sterkklimmende planten: Klimplanten met een sterke groei / diktegroei (blauweregen, duizendknoop, boomkruiper), dit leidt tot spanningen en eventueel tot schade aan omwikkelde of begroeide bouwdelen.
Afbeelding 01: Achtergebleven hechtvoeten na het verwijderen van plantenscheuten (SG 01). Bij een intact oppervlak blijven de hechtorganen kleven, voor het aanbrengen van een nieuwe verflaag moet eventueel worden geflambeerd. Door af te zien van "zelfklimmers" kunnen dergelijke bouwgebreken worden voorkomen.
Afbeelding 02: Een soortgelijk gebrek: hier is de klimop teruggesnoeid, bij het afbreken van de takken zijn hechtwortels aan de muur achtergebleven (SG 01).
Afbeelding 03: Bij dispersieverven of bij reeds beschadigde oppervlakken kan verf of pleisterwerk afbreken (SG 01).
Afbeelding 04: Twee klimopranken veroveren de spleten van een bekisting (SG 02). Bij de onderste is de bekistingsplank al weggedrukt, wat te zien is aan de zwarte spleet. Ook in rolluikkasten, ventilatieopeningen en dergelijke groeien scheuten van lichtmijdende planten graag naar binnen en kunnen ze door hun dikte losse delen wegdrukken. Daarom mogen dergelijke planten niet tegen kwetsbare muren worden geplaatst.
Afbeelding 05: Een vrij bewegelijke, lange blauweregen-scheut heeft een donkere spleet gevonden in de bekleding van een serre, groeit erin en zal de plank waarschijnlijk losdrukken (SG 02). Daarom moeten klimplanten met klimsteunen zo worden geplaatst dat er voldoende afstand is tussen het klimsysteem en kwetsbare openingen. Meestal is 0,5 - 1 meter voldoende, bij sterk klimmende planten ook 2 meter.
Afbeelding 06: Deze wilde wijnstok verkent de spleten van een houten dakrand. Het is niet uit te sluiten dat hij binnendringt, door de dakbanen heen groeit en weer uit het dak komt (SG 02). Zo werd bij een niet-gerenoveerde villa een wilde muurwijn P. quinqefolia waargenomen, die van onderaf in de broze vloerplaat van een balkon groeide en bovenaan weer uit de balkonvloer kwam. Dit toont aan met welke kracht deze planten zich door obstakels heen worstelen. Veel soorten afdichtingsbanen kunnen zo worden doorbroken en hun afdichtende functie verliezen, aangezien uitdrukkelijk wortelbestendige banen alleen bij groendaken worden gebruikt.
Afbeelding 07: Hier zijn klimopranken achter een bekleding van leisteenplaten gegroeid en hebben door hun dikteplaten al gebroken (SG 02).
Afbeelding 08: Deze dakrand heeft bouwschade door ingegroeide scheuten (SG 02).
Afbeelding 09: Op deze muur zijn blauweregenscheuten in open voegen gegroeid (SG 02), de onderste natuursteenplaat is al aanzienlijk opzij gedrukt, wat te zien is aan de aanzienlijk grotere voegbreedte. Bij verdere groei kunnen de platen worden weggeblazen en naar beneden vallen.
Afbeelding 10: Bouwschade aan een "verstikte" regenpijp na het afwikkelen van de scheut (SG 03).
Afbeelding 11: Ook aan klimsteunen, met name aan staalkabels, kan door overmatige rek bouwschade ontstaan, tot het losraken van de muurbevestigingen toe (SG 03). FassadenGrün adviseert "sterke slingers" aan staalkabels alleen te gebruiken als een parallelle stamgeleiding zonder permanente omwikkeling is gegarandeerd, zoals beschreven voor blauweregen.
Afbeelding 12: Naast schade als gevolg van omwikkeling (SG 03) kunnen zeer sterk groeiende planten ook gevaarlijk worden door verdringing en achtergroei. Bij gebrek aan onderhoud en snoei ontstaan vaak ook grote bladrollen, die bij wind tegen gevoelige muren (WDVS) kunnen schuren. Hier zijn echter de bevestigingen van de regenpijp door achtergroei van de muur afgedrukt en is de verbinding met de bovenste schuine inlaatpijp gebroken.
Afbeelding 13: Sterke groei (SG 03) gaat ook altijd gepaard met een sterke bladontwikkeling. Als deze zich over de dakrand uitstrekt, kunnen bladeren en scheuten de dakafvoer verstoppen. Aan de linkerkant van de muur is de muur na een regenbui sterk nat geworden. Waarschijnlijk is de dakgoot verstopt, zeer waarschijnlijk door het blad van de machtige klimplant. Bij een verstopte regenpijp en/of verstopte inlaatroosters kan bij hevige regenval de dakgoot overlopen en kunnen de muren nat worden. Het kan maanden duren voordat dergelijke schade is opgedroogd en vaak gaat dit gepaard met schimmelvorming op de binnenmuren. Als de vochtintreding jarenlang aanhoudt, kan er zelfs schimmelschade ("huiszwam") aan plafondbalken ontstaan.
Afbeelding 14/15: Klimplanten horen niet thuis op een dak of muurkroon! Ze kunnen daar dakpannen optillen en door afdichtingsbanen heen groeien (SG 02). Bij slagregen of sneeuwverstuivingen is het dan "water mars!" voor de gevoelige afdichtingen – de nachtmerrie van elke huiseigenaar. Daarom geldt: gevelbegroeiing en dakbegroeiing moeten altijd strikt van elkaar worden gescheiden!