Tuinhuisjes kunnen eenvoudige opslagplaatsen voor gereedschap zijn, maar ook kleine, heilige toevluchtsoorden waar men kan uitrusten van het werk, een boek kan lezen of kan mijmeren over de wereld. In hun historische vorm, als latwerkpergola met open traliewerk in plaats van ramen, nodigen ze uit tot begroeiing. Maar ook bij een gesloten constructie kunnen ze - met klimsteunen - worden begroeid.
Prieel hoeft niet achter in de tuin te staan, dat is eerder het geval in volkstuinen. Bij huistuinen werd het prieel vroeger echter vaak ontworpen als overgangsruimte tussen het huis en de tuin. Zo ontstond een luchtige, tegen regen beschermde en schaduwrijke ruimte, waar men vaak zelfs kon zitten en koffie (of wijn...) kon drinken. Het voordeel: korte afstanden voor serviesgoed en dergelijke. En als het huis helemaal geen uitgang naar de tuin had, werd vaak ook de hoofdingang met een prieel versierd. Bij de renovatie van historische gebouwen moet worden overwogen om dergelijke prieeltjes te herbouwen of nieuw te bouwen!
Kenmerkend voor de pergola-wanden was het filigrane traliewerk van latten, vaak diagonaal geplaatst. Het was uitstekend geschikt als klimsteun voor lichte klimplanten, meestal werden wijnstokken en rozen gebruikt, later ook clematis.
In de 19e eeuw had vrijwel elke bourgeoisietuin in de steden een tuinhuisje, een theehuisje of een paviljoen. Meestal werd een prominente plek gekozen, bijvoorbeeld op een hoek van het perceel bovenop de ommuring, vanwaar men de voorbijrijdende koetsen kon zien... Naast pergola-constructies werd vaak het type oude latwerkprieel gebruikt. Onze
overgrootvaders begroeiden deze tuinhuisjes graag met geurige kamperfoelie, tegenwoordig spelen kortlevende planten weer een grote rol. De planten hielden zichzelf vast of werden gevlochten, er was alleen wat bindmateriaal nodig om het stamwerk te fixeren, bijvoorbeeld bij wijnstokken.
De armere bevolking met hun nieuw aangelegde volkstuinen koos eerder voor gesloten prieeltjes, vaak weer met een terrasachtige uitbouw en een latwerk waar planten tegen konden groeien. De prieeltjes moesten functioneel en afsluitbaar zijn. Dat geldt ook vandaag de dag nog voor prieeltjes in de kleine tuinen van eengezinswoningen enz. Hier overheerst het gestandaardiseerde, kant-en-klare tuinhuisje of een bijbehorende bouwpakket, maar soms zijn er ook originele constructies in de tuinen te vinden, zoals boomhutten, afgedankte circuswagens en treinwagons. Meestal is een gesloten constructie gebruikelijk. En vaak worden er wijnstokken geplant.
Voor de begroeiing worden hier klimsteunen aanbevolen, meestal touwsystemen in een robuuste, "eenvoudige" uitvoering. Het voordeligst is vaak een individuele samenstelling van losse onderdelen, omdat voor het geleiden van de touwen meestal krammen of kramspijkers voldoende zijn. Alleen op de bevestigingspunten van de touwlussen zijn oogbouten nodig, bij een grotere afstand tot de muur ook de krachtige variant. Voor nog meer afstand tot de muur is dan de middelste uitvoering geschikt.